Patiënt en psycholoog behandelkamer

Supershrinks? Hokjesdenken? Houvast loslaten? Deze GZ-psycholoog laat je heel anders kijken naar het behandelen van cliënten.

Veel startende psychologen worstelen met ‘houvast’ in gesprekken, zegt Gerrie Bloothoofd, die als GZ-psycholoog een schaakboek voor psychologen schreef. Hij reflecteert op zijn eigen loopbaan als psycholoog, welke fouten hij bij zichzelf en anderen ziet, en zijn kijk op de ideale GGZ. Waarschuwing: na het lezen van dit interview voelt een toekomst als succesvolle psycholoog mogelijk een stuk meer binnen handbereik.

Waar is jouw interesse/voorliefde voor psychologie begonnen?

“Mijn liefde voor psychologie is begonnen tijdens het vak Psychologie dat ik volgde toen ik bezig was met mijn hbo-propedeuse. Ik werd direct verliefd op vrijwel alle thema’s die besproken werden en ik wilde er alles over weten. Na enige aanmoediging van een goede vriend is het mij gelukt om met een omweg binnen te komen op de Universiteit van Amsterdam, en de liefde voor psychologie is nooit meer weg gegaan.”

Is jouw liefde voor psychologie ook de reden dat je een boek hierover hebt geschreven? 

“Het boek Fundamentele vaardigheden in gesprekstherapie is in feite een hele lange brief aan mijn vroegere zelf: ik heb er alles in opgeschreven wat ik destijds had willen weten, en wat ik destijds nodig had om beter te worden. De gz-opleiding was erg leerzaam voor mij en ik wilde deze kennis graag delen met de mensen om me heen die nog lerende waren. Dat was voor mij de motivatie om het een en ander op te schrijven, wat uiteindelijk uitmondde in een boek.”

Het boek Fundamentele vaardigheden in gesprekstherapie

Naast je vroegere zelf natuurlijk, voor wie is het boek nog meer interessant?

“Voor startende psychologen om beter te worden in hun vak, voor gz-psychologen als naslagwerk, en voor andere hulpverleners die zich willen bekwamen in gesprekstherapie. Aangezien het naast kennis ook beoogt vaardigheden te trainen, is het dus vooral bedoeld voor psychologen die ambitieus zijn en bereid zijn zich te bekwamen in de vaardigheid van psychotherapie.”

Welke boeken hebben jouw kijk op therapie als startende psycholoog voorgoed veranderd?

“Leuke vraag! De boeken van Irvin Yalom hebben mijn kijk op therapie drastisch veranderd. Beginnende met het boek Nietzsche’s tranen, waarin een veel menselijkere (humanistische) manier van therapie wordt beschreven dan de methodische, kookboekmethodes die op de universiteit worden geleerd. En later het boek Therapie als geschenk, ook van Yalom.”

“Andere boeken die mij hebben geïnspireerd zijn: de DSM-5 voorbij! (Jim van Os), Misverstand psychotherapie (Flip van Oenen), gehechtheid in psychotherapie (Wallin), en het boek Omarm je emoties (Frederickson). Het boek dat in de buurt komt van mijn eigen opzet van dit boek is ‘Co-creating change’, van Jon Frederickson. Dit boek heeft een award gewonnen omdat het met veel praktijkvoorbeelden komt, zodat je de vaardigheid van therapie doen beter kan ontwikkelen. Het heeft een psychodynamisch karakter.”


Heb je ook nog adviezen voor de meer visueel ingesteld psycholoog?

“Ik heb verschillende dvd’s aangeschaft en ben erg onder de indruk van wat mogelijk is in de therapie sinds ik de dvd’s van Jon Frederickson heb gezien. Hij laat zien hoe je met een zeer directieve manier van therapie bedrijven iemand zo snel mogelijk bij zijn authentieke zelf kan brengen. Op Youtube vind ik de filmpjes van Rogers interessant om te zien. Ook de serie ‘In Treatment’ (niet de Nederlandse versie!) heeft mij erg geboeid.”

In je boek heb je het ook over supershrinks. Je noemde net al Irvin Yalom en Jon Frederickson. Vallen zij onder de definitie supershrink?

“Irvin Yalom en Jon Frederickson zou je inderdaad wel kunnen categoriseren als supershrink. Daarnaast mogen Leigh McCullough, Jeremy Safran, Carl Rogers en Sigmund Freud ook zeker niet ontbreken.”

“Wat vind je het leukste aan het vak?”

“Het leukste vind ik de complexiteit van de geest doorgronden en samen met de patiënt stilstaan bij wat er nu eigenlijk is. We hebben allemaal de neiging om weg te gaan van emotionele pijn, en om daar samen met de patiënt bij te blijven en het te verdragen, dat vind ik heel waardevol.”

Wat vind je het minst leuke aan het vak?

“Als schaker ben ik steeds beter geworden door heel systematisch bepaalde thema’s te trainen, zoals lopereindspel, mat in 2, bepaalde openingszetten enzovoort. En ik merk dat de kwaliteit van mijn partijen afneemt als ik niet blijf spelen. Kortom, het is belangrijk om je kennis te onderhouden.”

“Binnen de psychologie heb ik dat altijd gemist: je doet de deur dicht – net als je collega’s – en je moet maar uit de verhalen van je collega’s horen hoe zij het doen. Er is bijna geen tijd en geld om mee te kijken en om te leren van anderen. De dvd’s die je kan kopen met supershrinks waarop ze laten zien hoe ze patiënten behandelen kosten honderden euro’s. Iets wat de meesten er begrijpelijkerwijs niet voor over hebben.”

“Eigenlijk begin je als psycholoog in diep water, en zal je door veel uit te proberen uiteindelijk leren zwemmen. Maar de complexiteit van het vak is net als het schaakspel prima te trainen. En als je de basisvaardigheden van de borstcrawl onder de knie hebt, dan wordt het zwemmen opeens een stuk leuker. Zo ervaar ik dat ook in mijn vak.“

Nu we het toch over leren hebben. Welke fout(en) zie je veel startende psychologen maken, waar ze iets van kunnen leren?

“Veel startende psychologen zie ik worstelen met houvast in gesprekken. Ze durven de houvast van een protocol, techniek of model niet goed los te laten, waardoor het een wat stijf gesprek kan worden. Een gesprek waarbij er soms onvoldoende wordt aangesloten bij de eigenlijke behoeften van de patiënt – die de patiënt soms zelf ook nog niet onderkent. De startende psycholoog ziet de patiënt als iemand met een klacht, die verholpen moet worden door hem of haar te vertellen wat hij wel of niet moet doen.”

Hoe kan een startende psycholoog de houvast in gesprekken meer loslaten?

“Omdat ieder mens zo ontzettend complex in elkaar steekt, kan je op voorhand niet weten wat de patiënt nodig heeft. Je zal dat samen moeten onderzoeken. Daarbij is het ook belangrijk dat een patiënt de motivatie heeft om daadwerkelijk te willen veranderen. Dát is in mijn ogen therapie: contact maken, onderzoeken, nieuwsgierig zijn, en samen verdragen van wat moeilijk is.”

“Uit onderzoek blijkt bovendien dat een specifieke behandeling gekoppeld aan een specifieke klacht niet werkt. En dat is logisch als je je beseft dat het leven simpelweg te complex is om op het niveau van als A, dan B te begrijpen. Er spelen veelal meerdere factoren mee, meerdere oorzaken, en meerdere manieren om ergens uit te komen. Het is aan de therapeut om samen met de patiënt deze puzzel te leggen, te begrijpen, en tot een antwoord te komen op de vraag waarmee de patiënt is binnengekomen.”

“Het loslaten van de houvast en het durven vertrouwen op het maken van contact, aanvoelen van behoeften, vanuit nieuwsgierigheid onderzoeken wie iemand is, en werkelijk er voor iemand kunnen zijn, is denk ik een volgende stap in de ontwikkeling van de meeste psychologen. Het is mij dan ook een raadsel waarom dit niet al op de universiteit wordt onderwezen.”

Welke fouten maak je zelf als psycholoog?

“Zelf maak ik elke dag nog ‘fouten’, volgens mij hoort dat helemaal bij het ontwikkelingsproces van de psycholoog. De meest hardnekkige ‘fout’ die ik mezelf zie maken is dat de insteek die ik heb voor wat psychotherapie is, niet duidelijk gedefinieerd is, waardoor ik soms te lang mensen behandel. Voor mij ligt het leerpunt erin dat ik duidelijker definieer waar de therapie stopt. Voor zowel mezelf als de patiënt.”

Welke behandeling is je het meest bijgebleven?

“Veel behandelingen blijven mij bij, of bepaalde momenten binnen een behandeling. Ik kan me het moment nog goed herinneren dat ik voor het eerst werd geconfronteerd met de suïcidale uitingen van een patiënte, waarbij ik geen idee had wat ik moest doen. Maar ook de eerste suïcides toen ik in de verslavingszorg werkte.”

“Het moment dat me het meest is bijgebleven is dat ik een patiënte heb kunnen helpen die een zeer heftige traumatische gebeurtenis had meegemaakt. Ze durfde aan mij meer te vertellen dan aan haar man met wie ze al ruim 40 jaar samen was.”

“Soms voel ik me net een voyeur, iemand die met toestemming mee mag meekijken naar iemands diepste geheimen.”

“Soms voel ik me net een voyeur, iemand die met toestemming mee mag meekijken naar iemands diepste geheimen. En het idee van een medereisgezel staat me ook aan: samen op zoek naar waar de patiënt naar toe zou willen in het leven. Dat idee, dat je voorbij de maskers kan kijken die iedereen opzet als ze elkaar ontmoeten, zodat je de, tussen haakjes, echte persoon kan ontmoeten, daarin voel ik me bevoorrecht, en dat maakt dit vak voor mij heel bijzonder.”

Wat is jouw kijk op de huidige GGZ? En verschilt deze met jouw kijk als startende psycholoog?

“Mijn huidige kijk op de ggz is een zorgwekkende: lange wachtlijsten, te grote invloed van zorgverzekeraars op de vormgeving van behandelingen, en moeizame communicatie tussen ggz-instellingen. Complexe patiënten vallen buiten de ‘hokjes’ en worden onvoldoende behandeld. En dat is denk ik ook het probleem: er wordt veel in hokjes gedacht binnen de ggz.”

“In zekere zin doe ik dat ook met de vaardigheden in m’n boek, die deel ik ook op in hokjes zodat dit beter te trainen valt. Maar op grotere schaal is het een probleem: je wordt als patiënt behandeld op de afdeling Depressie als is bepaald dat dat de klacht is waar je het meest tegenaan loopt. Is die klacht verholpen, dan gaan we door naar de afdeling Trauma, waar je je andere klachten kan laten behandelen. Heb je dan nog een alcoholprobleem, dan word je verwezen naar een verslavingsinstelling, en opnieuw op de wachtlijst gezet.”

Hoe zou jij de GGZ anders inrichten?

“Met dit klachtgerichte denken schieten ze mijns inziens de plank mis: het gaat om een meer holistische aanpak, het gaat om de mens als geheel, en het niet-zo-goed-definieerbare contact tussen patiënt en hulpverlener. Ook de scheiding tussen lichaam en geest sinds de tijd van Descartes draagt bij aan hokjesdenken, met een duidelijke dichotomie tussen ziekenhuizen voor lichamelijke klachten en ggz-instellingen voor geestelijke klachten.”

“Het wordt echter steeds meer duidelijk dat lichaam en geest niet gescheiden zijn, en dat er veel meer complementair moet worden behandeld. De laatste ideeën binnen traumatherapie zijn daar een goed voorbeeld van: het lichaam wordt steeds meer betrokken bij het herstelproces. Ik zou dus voorstander zijn van centra waarin zowel lichaam als geest wordt behandeld, maar dat is toekomstmuziek denk ik. Hoewel de netwerktheorie – waarbij de klachten als onderling verbonden met elkaar worden gezien – steeds meer terrein wint. We komen er wel!”

Heb je altijd al op zo’n holitische manier over de GGZ nagedacht?

“Vroeger was ik niet zo bezig met op dit niveau denken. Ik wilde simpelweg de beste behandelaar zijn voor mijn patiënt. Maar door de jaren heen kan het niet anders of je gaat op een meer overstijgende manier denken, wat het bijvoorbeeld doet in de maatschappij, om daar vervolgens een mening over te vormen.”

Vanuit deze overtijgende visie als ervaren therapeut: wat is een belangrijke les die je startende therapeuten mee wilt geven?

“Tijdens de gz-opleiding hoorde ik het volgende: we zijn al ruim 100 jaar, sinds de start van de psychoanalyse van Freud, op zoek naar het juiste model voor de patiënt. Maar misschien moeten we eens kijken naar wat het juiste model is voor de therapeut. Deze prachtige quote – ik kan me helaas niet herinneren wie het heeft gezegd – geeft denk ik heel mooi weer dat je je in dit vak moet laten leiden door wat voor jou als therapeut goed voelt qua ontwikkeling, wat bij jou als persoon/therapeut past.”

“Dus mijn tip zou zijn: doe vooral de cursussen die jij op dit moment interessant vindt, lees de boeken die je leuk lijken, en volg je eigen pad. Ontwikkel je niet naar de verwachtingen van anderen, zoals wat instellingen, collega’s, of de maatschappij vinden dat je moet weten of kunnen. Maar richt je op dat wat jou een warm gevoel geeft en waar jouw hart sneller van gaat kloppen als het gaat om wat je tegenkomt waar je je in zou willen verdiepen. Hoe krachtiger jij je therapie kan overbrengen op de patiënt, omdat je hierin gelooft en helemaal jezelf kan zijn omdat het bij je past, hoe sterker het effect op de patiënt en de therapie.”

Gerrie Bloothoofd

Gerrie Bloothoofd

Gerrie Bloothoofd is gz-psycholoog en auteur van het boek 'Fundamentele vaardigheden in gesprekstherapie'. Hij is werkzaam bij Transparant – Centrum voor geestelijke gezondheidszorg en bij revalidatiekliniek Basalt, afdeling Chronische pijn.

Bestel Fundamentele vaardigheden in gesprekstherapie

Categorie: Interview

Naar kennisbank